Het Waasland wordt omringd en doorsneden door haar waters. De Schelde en de Durme, de Moervaart en Stekense Vaart, de Grote Geule en de Weelkes... Daarlangs liggen soms eeuwenoude polders: van Sint-Gillis-Waas tot Doel, van Kruibeke tot Tielrode en er voorbij. En dan mogen we de meersen, broeken en kreken niet vergeten. Dit water is voor de Waaslander al eeuwenlang zowel vriend als vijand...

 

Landbouw 

Poldergronden ontstonden door de afzetting van zeeklei millenia geleden, de laatste 10.000 jaar gevolgd door geregelde rivieroverstromingen. Het vruchtbare rivierslib dat werd afgezet en de vruchtbare kleibodem eronder maakten deze gronden gegeerd voor landbouw, ware het niet dat ze erg nat waren en steeds gevaar liepen opnieuw te overstromen.

Daarom begonnen landbouwers sinds de Middeleeuwen uitgebreide dijkensystemen te bouwen om de polders zo goed mogelijk beschermd tegen nieuwe overstroming, met beken en kanalen die voor afwatering dienden. De vloeimeersen elders in de streek (het meest gekend zijn deze rond de Durme) werden dan weer 's winters doelbewust onder water gezet, om rivierslib af te zetten. Op sommige polders werd in de Middeleeuwen bovendien veen, ook turf of moer genoemd, ontgonnen als brandstof. Namen als Moerbeke en de Moervaart herinneren hier nog aan. Na enkele eeuwen waren grote stukken Waasland in cultuur gebracht. Er schot nagenoeg geen veel meer over, maar in de plaats waren er (voor zover ze ontwaterd konden worden) akkers en weiden gekomen.

Overstroming en herindijking

Tijdens de 80-jarige oorlog (1568-1648) werden de polders aan het noorden van het Waasland om militaire redenen opnieuw onder water gezet. Door middel van doelbewuste "inundaties" hoopten zowel de Spanjaarden als de Nederlanders hun vijand tot stilstand te brengen. Het gevolg: grote stukken landbouwgrond kwamen opnieuw voor tientallen jaren, soms zelfs voor enkele eeuwen, onder water te liggen. De kreken en wielen in de regio Stekene en Sint-Gillis-Waas en de Grote Geul in Kieldrecht zijn nog steeds restanten van deze inundaties.

Pas langzaam werden de polders opnieuw drooggelegd, deze maal op basis van nieuwere technieken en onder stimulans van investeerders van buiten de streek. Maar dan nog kostten de occasionele natuurlijke overstromingen mensenlevens. In de 20ste eeuw nog kende het Waasland drie grote overstromingen: in 1906, 1930 en 1953, die enorme schade aanrichtten aan de landbouwgronden, lokale bewoning en dijkinfrastructuur.

Beroepen langs het water

Het water was echter zeker niet altijd de vijand van de polderbewoner. De geulen, die ontstonden wanneer de rivier zich bij een overstroming een weg door het land schuurde, waren interessante jacht- en visvangstgebieden. Ze stelden het binnenland ook in verbinding met de zee en lieten bijvoorbeeld toe dat een gemeente als Kieldrecht tot in de 20ste eeuw een bloeiende haven had.

De vochtige gronden in het zuiden van het Waasland werden tot voor enkele decennia gebruikt voor het telen van wijmen (wilgentwijgen), basisgrondstof in de mandenvlechterij.

Het riet uit de grachten deed dan weer dienst als dakbedekking, de vochtige hooilanden leverden onmisbaar wintervoedsel voor het vee, de meersen werden aangewend in de linnenblekerij en de vlasnijverheid, terwijl de bomen die op de dijken groeien hout leverden voor de klompenmakerij en later noten voor de pickle-industrie…

De keerzijde van de medaille 

De polderontginningen zelf waren ook niet unaniem positief te noemen: alles hangt ervan af hoe je het bekijkt. Na veenontginning bleven bijvoorbeeld enkel drassige en onvruchtbare gronden over, die ironisch genoeg opnieuw moesten overstromen met vruchtbaar slib om weer wat vruchtbaarder te worden. De landbouwpolders kenden erg rijke opbrengsten, maar hoe meer er ingedijkt werd, hoe kwetsbaarder het land werd voor nieuwe overtromingen. Want waar moest het rivierwater bij noodweer heenvloeien? Een indijking stroomafwaarts kon stroomopwaarts voor problemen zorgen met waterafvoer en voor dichtslibbende kanalen... De linnenblekerij en de vlasroterij brachten dan weer veel vervuiling toe aan de meersen. De landbouwontginning betekende vaak ook het einde van gehele ecosystemen, waarbij natuur moest wijken voor landbouw.

 

Een geschiedenis van verandering

Logisch dus dat de geschiedenis van het Waasland een haat-liefde verhouding is met deze waters. De polders zijn hoe dan ook nooit een stabiel gegeven geweest. Vele polders gingen verloren onder natuurlijke of kunstmatige overstromingen, werden verlaten en later opnieuw aangelegd - soms van hoger hand uitgetekend op de tekentafel - of kregen nieuwe functies. Dijken werden wegen, notelaars werden vervangen door populieren, hooimeersen werden in de 20ste eeuw drooggelegd voor akkerbouw... Van een stabiel polderleven is alleszins geen sprake: polders zijn per definitie immers veranderlijk.